Aftrekbaarheid van IPT-premies dubbel onder druk
Geen aftrek voor de vennootschap én belasting bij de bedrijfsleider?
Vennootschappen die voor hun bedrijfsleider een aanvullend pensioen opbouwen via een individuele pensioentoezegging, beter bekend als een IPT, doen dat vaak met een duidelijk fiscaal doel: de betaalde premies moeten aftrekbaar zijn in de vennootschapsbelasting.
Die aftrekbaarheid is echter niet vanzelfsprekend. De vennootschap moet voldoen aan verschillende wettelijke voorwaarden, waaronder de zogenaamde 80%-regel en de verplichting om aan de bedrijfsleider een regelmatige bezoldiging toe te kennen.
Wanneer die voorwaarden niet worden nageleefd, beperkt de fiscus zich steeds minder vaak tot het verwerpen van de aftrek bij de vennootschap. In toenemende mate wordt ook de bedrijfsleider persoonlijk geviseerd, doordat de betaalde IPT-premies bij hem worden belast als voordeel van alle aard.
Recente rechtspraak bevestigt deze strenge benadering.
IPT-premies als voordeel van alle aard
In een arrest van 10 maart 2026 oordeelde het Hof van Beroep te Gent dat de betaling van IPT-premies door de vennootschap tijdens het belastbaar tijdperk een belastbaar voordeel uitmaakt in hoofde van de bedrijfsleider.
Het hof verwijst daarbij naar het attractiebeginsel van artikel 32 WIB 1992. Volgens het hof gaat het om kosten die de bedrijfsleider in principe zelf had moeten dragen om een pensioenkapitaal op te bouwen, maar die door de vennootschap in zijn voordeel worden betaald.
Dat de bedrijfsleider formeel niet noodzakelijk als contractspartij bij de pensioenovereenkomst optreedt, is volgens het hof niet doorslaggevend. De bedrijfsleider verkrijgt door de premiebetalingen immers rechten ten aanzien van de verzekeringnemer en de verzekeraar.
Belastbaar op het moment van de premiebetaling
Bijzonder belangrijk is het tijdstip waarop het voordeel volgens het hof belastbaar wordt.
De bedrijfsleider voerde aan dat hij het pensioenkapitaal pas op de eindvervaldag zou ontvangen. In het concrete dossier was dat pas in 2034. Het hof volgt die redenering niet.
Volgens het hof wordt het voordeel reeds toegekend op het ogenblik waarop de premies worden betaald. Op dat moment krijgt de bedrijfsleider immers een definitief en afdwingbaar recht op de verworven reserves en op de latere pensioenuitkering.
Met andere woorden: ook al wordt het pensioenkapitaal pas jaren later effectief uitgekeerd, de fiscale belasting kan zich al voordoen op het moment van de premiestorting.
Geen verboden dubbele belasting volgens het hof
De belastingplichtige voerde ook aan dat sprake was van een ongerechtvaardigde dubbele belasting. Enerzijds wordt de aftrek van de premies geweigerd bij de vennootschap. Anderzijds worden diezelfde premies belast bij de bedrijfsleider als voordeel van alle aard.
Het Hof van Beroep te Gent aanvaardt dat argument niet.
Volgens het hof steunen beide fiscale gevolgen op een verschillende wettelijke grondslag. De aftrekbaarheid van de premies in hoofde van de vennootschap wordt beoordeeld op basis van de regels inzake beroepskosten en de specifieke voorwaarden voor pensioenpremies. De belasting of vrijstelling in hoofde van de bedrijfsleider wordt daarentegen beoordeeld op basis van de bepalingen die betrekking hebben op bezoldigingen en voordelen van alle aard.
Omdat beide taxaties volgens het hof juridisch op zichzelf staan, is er geen sprake van een verboden dubbele belasting.
Strenge fiscale lijn bevestigd
Het arrest bevestigt de strenge lijn die de fiscus de laatste jaren steeds vaker verdedigt.
Wanneer een vennootschap niet voldoet aan de voorwaarden voor de aftrek van IPT-premies, riskeert zij niet alleen een verwerping van die aftrek. De bedrijfsleider kan daarnaast persoonlijk worden belast op de betaalde premies, zelfs wanneer hij het pensioenkapitaal pas veel later effectief ontvangt.
Dat leidt in de praktijk tot een bijzonder zware fiscale impact. Dezelfde geldstroom wordt economisch bekeken door twee belastinglagen geraakt: eerst bij de vennootschap, vervolgens bij de bedrijfsleider.
Hoewel het hof die economische realiteit niet doorslaggevend acht, is de praktische boodschap duidelijk: een IPT vereist meer dan ooit fiscale discipline.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Voor vennootschappen die werken met een IPT is een grondige controle van de voorwaarden essentieel.
Vooral dossiers waarin geen of onvoldoende regelmatige bezoldiging wordt toegekend, waarin aanzienlijke backservices worden opgebouwd of waarin de toepassing van de 80%-regel onder druk staat, vormen een verhoogd risico.
Het is daarom belangrijk om niet alleen de pensioenovereenkomst zelf te bekijken, maar ook de bredere verloningsstructuur van de bedrijfsleider. De periodiciteit van de bezoldiging, de hoogte van het loon, de berekening van de 80%-grens en de documentatie van de pensioenopbouw moeten coherent en verdedigbaar zijn.
IPT blijft nuttig, maar vraagt meer voorbereiding
Een IPT blijft een waardevol instrument voor de opbouw van een aanvullend pensioen voor bedrijfsleiders. De fiscale voordelen kunnen aanzienlijk zijn, maar zijn niet onvoorwaardelijk.
De recente rechtspraak toont aan dat de gevolgen van een foutieve toepassing zwaar kunnen zijn. Wanneer de aftrekvoorwaarden niet worden nageleefd, kan de fiscus de aftrek bij de vennootschap weigeren én de bedrijfsleider persoonlijk belasten op de betaalde premies.
Voor vennootschappen betekent dit concreet dat een IPT niet los kan worden gezien van de totale verloningspolitiek. Een regelmatige bezoldiging, een correcte toepassing van de 80%-regel en een goed onderbouwd pensioendossier zijn essentieel om fiscale discussies zoveel mogelijk te vermijden.


