Tweedeverblijfstaks Knokke-Heist sneuvelt voor het gelijkheidsbeginsel
Hof van Beroep Gent vernietigt belastingreglement wegens schending van het gelijkheidsbeginsel
Het Hof van Beroep te Gent heeft in een belangrijk arrest van 19 mei 2026 geoordeeld dat de tweedeverblijfstaks van de gemeente Knokke-Heist niet verenigbaar is met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Volgens het hof kon de gemeente niet aantonen waarom eigenaars van een tweede verblijf wel een bijkomende belasting moesten betalen, terwijl inwoners van Knokke-Heist – die geen aanvullende gemeentebelasting verschuldigd zijn – volledig buiten schot blijven.
Het arrest bevestigt de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg en sluit aan bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie, die steeds strengere eisen stelt aan de motivering van gemeentelijke tweedeverblijfsbelastingen.
De feiten
Bij gemeenteraadsbesluit van 28 november 2019 voerde Knokke-Heist een belasting in op tweede verblijven voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025. Voor aanslagjaar 2022 werd een eigenaar van een appartement zonder domicilie in de gemeente belast voor 780 euro.
Na een afgewezen administratief bezwaar stelde de eigenaar beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Die vernietigde de aanslag op 24 december 2024. De gemeente tekende hoger beroep aan, maar kreeg ook daar ongelijk.
Fiscale autonomie kent grenzen
Gemeenten beschikken over een ruime fiscale autonomie. Die vrijheid is echter niet onbeperkt. Elk belastingreglement moet in overeenstemming zijn met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en non-discriminatie (artikelen 10, 11 en 172 Grondwet).
Een verschillende behandeling van belastingplichtigen is enkel toegestaan wanneer daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Daarbij moet worden nagegaan of het onderscheid aansluit bij het doel van de belasting en of het gekozen middel evenredig is met dat doel.
Het hof benadrukt dat een gemeente haar motivering concreet moet kunnen aantonen. Zodra een belastingplichtige de aangevoerde rechtvaardiging aannemelijk in twijfel trekt, volstaan algemene beweringen of veronderstellingen niet langer.
Waarom overtuigde de gemeente niet?
Het Hof van Beroep onderzocht alle argumenten die Knokke-Heist aanvoerde om de belasting te verantwoorden, maar verwierp die één voor één.
Bescherming van residentieel wonen
Volgens de gemeente moest de belasting bijdragen aan het behoud van residentieel wonen en de sociale cohesie.
Het hof stelde echter vast dat het belastingreglement geldt voor het volledige grondgebied, ook voor toeristische zones, terwijl de doelstelling zich volgens de aanhef vooral richt op de dorpskernen. Bovendien bleek uit de begrotingen dat de gemeente zelf geen daling van het aantal tweede verblijven verwachtte, aangezien de belastingopbrengsten jaar na jaar gelijk werden geraamd.
Druk op de woningmarkt
Ook het argument dat tweede verblijven verantwoordelijk zijn voor de stijgende woningprijzen overtuigde niet.
Het hof wijst erop dat de druk op de woningmarkt verschillende oorzaken kent en niet uitsluitend aan tweede verblijvers kan worden toegeschreven. Dat rechtvaardigt niet dat uitsluitend deze groep de financiële last draagt.
Hogere kosten voor de gemeente
Volgens Knokke-Heist veroorzaken tweede verblijven bijkomende kosten voor dienstverlening, veiligheid en infrastructuur.
Ook dat argument hield geen stand. De gemeente kon niet aantonen dat tweede verblijvers meer kosten veroorzaken dan andere gebruikers. De bijkomende uitgaven hangen volgens het hof vooral samen met het toeristische karakter van de kustgemeente en niet specifiek met tweede verblijven.
Compensatie voor ontbrekende gemeentebelasting
Een opvallend element in de zaak was dat Knokke-Heist geen aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting heft (0%-tarief).
Volgens de gemeente mocht de tweedeverblijfstaks dienen als compensatie. Het hof volgt die redenering niet. Een compenserende belasting veronderstelt immers dat er eerst een onevenwicht bestaat. Nu de inwoners zelf geen aanvullende gemeentebelasting betalen, kan niet worden verantwoord waarom enkel tweede verblijvers moeten bijdragen aan de algemene gemeentelijke financiering.
Leegstand tegengaan
De gemeente verwees daarnaast nog naar het vermijden van misbruik van de leegstandsheffing.
Dat argument werd buiten beschouwing gelaten omdat het nergens uit het belastingreglement of de context ervan bleek en dus achteraf werd aangevoerd.
Geen echte “weeldebelasting”
Knokke-Heist stelde bovendien dat de tweedeverblijfstaks moest worden beschouwd als een forfaitaire belasting op het bezit van een luxegoed.
Ook daarin volgt het hof de gemeente niet.
Uit de begrotingscijfers bleek dat de belasting een bijzonder belangrijke inkomstenbron vormde en in werkelijkheid diende om tweede verblijvers te laten bijdragen aan de algemene gemeentelijke uitgaven. Bovendien zou een echte weeldebelasting niet uitsluitend mogen afhangen van het ontbreken van een domicilie in de gemeente.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Dit arrest bevestigt dat gemeenten hun belastingreglementen zorgvuldig moeten motiveren. Een louter financieel doel volstaat niet om uitsluitend eigenaars van een tweede verblijf te belasten.
Vooral gemeenten die geen – of slechts een 0%-tarief – aanvullende gemeentebelasting heffen, lopen een verhoogd risico dat hun tweedeverblijfsbelasting strijdig wordt bevonden met het gelijkheidsbeginsel.
Eigenaars van een tweede verblijf die recent een dergelijke belasting hebben betaald, beschikken mogelijk over bijkomende argumenten om hun aanslag aan te vechten. Daarbij blijven de wettelijke bezwaar- en beroepstermijnen uiteraard van essentieel belang.
Besluit
Met dit arrest zet het Hof van Beroep te Gent de lijn van de recente cassatierechtspraak verder. Gemeenten behouden weliswaar een ruime fiscale autonomie, maar moeten elk onderscheid tussen belastingplichtigen objectief, redelijk en overtuigend kunnen verantwoorden.
Voor lokale besturen betekent dit dat bestaande belastingreglementen kritisch moeten worden geëvalueerd. Voor eigenaars van een tweede verblijf biedt het arrest daarentegen een bijkomend juridisch aanknopingspunt om vergelijkbare belastingreglementen te betwisten. Zoals steeds blijft een beoordeling van de concrete motivering en de financiële context van de betrokken gemeente noodzakelijk.
Bron: Hof van Beroep Gent (5e kamer), 19 mei 2026 (tweedeverblijfstaks Knokke-Heist), in lijn met onder meer Cass. 15 januari 2026, F.23.0106.N en Cass. 29 februari 2024, F.20.0138.N.


