Auteursrechten van een architect-bedrijfsleider: rechtbank Gent wijst de weg
De fiscale behandeling van auteursrechtelijke vergoedingen aan bedrijfsleiders blijft geregeld aanleiding geven tot discussie met de fiscus. Een recent vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 28 september 2026 (rolnr. 24/1844/A, onuitg.) biedt interessante aanknopingspunten voor architecten en andere creatieve bedrijfsleiders.
In deze zaak ontving een architect-bedrijfsleider van zijn architectenvennootschap auteursrechtelijke vergoedingen op basis van een licentieovereenkomst. De fiscale administratie aanvaardde de kwalificatie als roerende inkomsten niet en herkwalificeerde de vergoedingen als bedrijfsleidersbezoldigingen.
De rechtbank volgde de administratie niet en vernietigde de aanvullende aanslagen in de personenbelasting volledig.
Uit het vonnis kunnen vier belangrijke aandachtspunten worden afgeleid.
1. De bewijslast ligt bij de fiscale administratie
De architect had de ontvangen auteursrechtelijke vergoedingen aangegeven als roerende inkomsten overeenkomstig artikel 17, § 1, 5° WIB 92.
Volgens de rechtbank is het in dat geval aan de fiscale administratie om aan te tonen dat deze fiscale kwalificatie niet kan worden gevolgd en dat de betrokken inkomsten daarentegen wel als bedrijfsleidersbezoldigingen moeten worden belast.
De administratie moet met andere woorden niet alleen aantonen waarom de aangegeven kwalificatie als roerend inkomen niet mogelijk zou zijn, maar eveneens waarom de concrete gegevens van het dossier toelaten om de inkomsten als bedrijfsleidersbezoldigingen te belasten.
Het is dus niet zonder meer aan de belastingplichtige om te bewijzen dat de door hem in zijn aangifte gehanteerde kwalificatie correct is.
2. De naam van de vennootschap op de plannen verandert niets aan het auteurschap
Een tweede discussiepunt betrof het auteurschap van de architecturale ontwerpen.
De administratie wees erop dat op de plannen enkel de naam van de architectenvennootschap werd vermeld en trok op basis daarvan in twijfel dat de architect persoonlijk de auteur was van de betrokken werken.
De rechtbank volgde deze redenering niet.
Dat de naam van de vennootschap op de plannen voorkomt, sluit immers niet uit dat de architect als natuurlijke persoon de auteur van de ontwerpen is. Net via de licentieovereenkomst had de architect zijn vennootschap toestemming gegeven om de betrokken werken te exploiteren en haar naam op de plannen te vermelden.
De vermelding van de vennootschap op de plannen volstaat bijgevolg niet om het persoonlijke auteurschap van de architect terzijde te schuiven.
3. Co-auteurschap verhindert auteursrechtelijke bescherming niet
Ook het feit dat ontwerpen mogelijk samen met een collega-architect tot stand kwamen, vormde volgens de rechtbank geen beletsel voor auteursrechtelijke bescherming.
De rechtbank verwees daarbij naar de regels inzake co-auteurschap uit het Wetboek van Economisch Recht en naar de bepalingen van de tussen de architect en zijn vennootschap gesloten licentieovereenkomst.
Die overeenkomst had uitsluitend betrekking op het eigen aandeel van de architect in de betrokken werken. De architect verleende dus enkel een licentie op de auteursrechten waarvan hij zelf titularis was.
De rechtbank ging evenmin mee in de stelling van de administratie dat mogelijk nog andere auteurs bij de ontwerpen betrokken waren. Een dergelijke loutere veronderstelling volstaat niet om het auteurschap of de auteursrechtelijke vergoeding terzijde te schuiven.
4. Een vergoeding afgestemd op de rulingpraktijk kan marktconform zijn
Tot slot kwam ook de omvang van de auteursrechtelijke vergoeding aan bod.
De vergoeding van de architect bedroeg 5% van de omzet van de architectenvennootschap. Op het ogenblik waarop de licentieovereenkomst werd gesloten, aanvaardde de toenmalige rulingpraktijk volgens het vonnis vergoedingen tot 10% van de omzet van de exploitant.
Omdat binnen de betrokken vennootschap twee architecten actief waren, werd dit percentage gehalveerd en werd voor de betrokken architect een vergoeding van 5% gehanteerd.
De rechtbank beschouwde deze vergoeding als marktconform. Daarbij speelde eveneens mee dat de andere architect binnen de vennootschap een gelijkaardige overeenkomst had gesloten.
Wat betekent dit in de praktijk?
Het vonnis toont opnieuw het belang aan van een goed onderbouwd auteursrechtendossier.
Een duidelijke licentieovereenkomst is daarbij essentieel, maar ook de feitelijke documentatie mag niet uit het oog worden verloren. Plannen, schetsen, ontwerpen en bijvoorbeeld uittreksels uit het omgevingsloket kunnen helpen om het persoonlijke creatieve aandeel van de architect concreet aan te tonen.
Daarnaast verdient ook de berekening van de auteursrechtelijke vergoeding voldoende aandacht. Wanneer de gekozen vergoeding aansluit bij de destijds geldende rulingpraktijk en bovendien consequent wordt toegepast binnen de vennootschap, kan dit een belangrijk element vormen bij de beoordeling van het marktconforme karakter ervan.
Belangrijk is wel dat het vonnis betrekking heeft op de aanslagjaren 2020 en 2021. Het geschil situeert zich dus onder het vroegere fiscale regime inzake auteursrechten. De uitspraak mag bijgevolg niet zonder meer worden doorgetrokken naar vergoedingen die onder het inmiddels gewijzigde auteursrechtenregime vallen.
Niettemin bevat het vonnis interessante principes over onder meer de bewijslast, het auteurschap, co-auteurschap en de onderbouwing van de vergoeding die ook ruimer relevant zijn voor discussies over auteursrechtelijke vergoedingen.
Heeft u vragen over de fiscale behandeling van auteursrechten of over de opmaak en fiscale onderbouwing van een licentieovereenkomst? Het fiscale team van Everest Advocaten helpt u graag verder.


