Fiscale hervorming DBI-beveks (2026): wat verandert voor vennootschappen?
Vennootschappen die beleggen via DBI-beveks konden jarenlang rekenen op een bijzonder gunstig fiscaal regime. Met de wet van 18 december 2025, van toepassing vanaf aanslagjaar 2026 (inkomsten 2025), heeft de wetgever dat kader echter aanzienlijk verstrengd. Toch is het fiscale verhaal niet zwart-wit. Wie de nieuwe spelregels correct toepast, kan nog steeds optimaliseren. Een doordachte fiscale keuze blijft dus cruciaal voor het uiteindelijke rendement.
Juridisch kader: wat is een DBI-bevek en waarom is het regime zo belangrijk?
DBI staat voor Definitief Belaste Inkomsten en heeft tot doel de economische dubbele belasting van winsten tussen vennootschappen te vermijden.
Wanneer een vennootschap investeert in aandelen van een DBI-bevek:
-
zijn de ontvangen brutodividenden in principe vrijgesteld van vennootschapsbelasting,
ten belope van de DBI-coëfficiënt van het fonds (in de praktijk vaak 95 tot 100%); -
kon de roerende voorheffing van 30% op die dividenden tot voor kort volledig worden verrekend en terugbetaald;
-
waren ook meerwaarden bij de verkoop van DBI-bevekaandelen vrijgesteld van vennootschapsbelasting, opnieuw volgens de DBI-coëfficiënt.
Dat fiscale totaalplaatje maakte DBI-beveks bijzonder aantrekkelijk voor vennootschappen met overtollige liquiditeiten.
Twee belangrijke wijzigingen vanaf aanslagjaar 2026
De hervorming brengt twee fundamentele aanpassingen met zich mee.
1. Nieuwe belasting op meerwaarden
Meerwaarden op DBI-bevekaandelen worden voortaan belast tegen een afzonderlijk tarief van 5%, en dit:
-
enkel ten belope van de DBI-coëfficiënt;
-
buiten de gewone vennootschapsbelasting om.
Voor private privaks geldt deze nieuwe heffing uitdrukkelijk niet.
2. Beperking van de teruggaaf van roerende voorheffing
De DBI-vrijstelling op het brutodividend blijft bestaan, maar de teruggaaf van de roerende voorheffing van 30% wordt afhankelijk gemaakt van een bijkomende voorwaarde.
De vennootschap moet aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon een minimumbezoldiging toekennen van:
-
45.000 euro voor boekjaar 2025;
-
50.000 euro vanaf boekjaar 2026, met jaarlijkse indexering.
Wordt aan die voorwaarde niet voldaan, dan blijft het brutodividend wel vrijgesteld, maar wordt de roerende voorheffing definitief verschuldigd.
Uitzonderingen en verruimd toepassingsgebied
De minimumbezoldigingsvoorwaarde geldt niet voor:
-
een erkende coöperatieve vennootschap;
-
een startende vennootschap tijdens haar eerste vier boekjaren.
Tegelijk wordt het toepassingsgebied van de verstrengde regels aanzienlijk uitgebreid. Ze gelden voortaan niet alleen voor DBI-beveks, maar ook voor beleggingen in onder meer:
-
(private) privaks en openbare privaks;
-
gereglementeerde vastgoedvennootschappen (GVV’s);
-
gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen (GVBF’s);
-
European Long-Term Investment Funds (ELTIF’s);
-
en hun buitenlandse equivalenten.
Praktische impact: dividenden zonder minimumbezoldiging
Voor vennootschappen die geen minimumbezoldiging toekennen, wordt de fiscale behandeling van dividenden een bewuste keuze.
Zij hebben twee opties:
-
DBI-vrijstelling toepassen
→ het brutodividend is vrijgesteld, maar de 30% roerende voorheffing is definitief verloren. -
Belasting aan 25% vennootschapsbelasting
→ het brutodividend wordt belast, maar de roerende voorheffing kan volledig worden teruggevorderd.
In de praktijk blijkt die tweede optie vaak financieel voordeliger.
Voorbeeld
Ontvangt een vennootschap 60.000 euro aan dividenden:
-
belasting aan 25% = 15.000 euro fiscale kost;
-
definitief verlies van roerende voorheffing = 18.000 euro.
Het verschil kan dus oplopen tot 3.000 euro.
Aandachtspunt: verkoop van DBI-bevekaandelen en de inkoopbonus
Ook bij de verkoop van DBI-bevekaandelen is de impact van de hervorming genuanceerder dan ze op het eerste gezicht lijkt.
In de praktijk gebeurt een verkoop vaak via een inkoop van eigen aandelen door de DBI-bevek zelf. In dat geval:
-
realiseert de vennootschap geen klassieke meerwaarde, maar een inkoopbonus;
-
wordt die inkoopbonus fiscaal als een dividend behandeld;
-
is geen roerende voorheffing verschuldigd;
-
is het nieuwe tarief van 5% niet van toepassing;
-
blijft de opbrengst vrijgesteld van vennootschapsbelasting ten belope van de DBI-coëfficiënt.
Besluit: wat betekent dit concreet?
De hervorming van het DBI-regime maakt beleggen via DBI-beveks minder vanzelfsprekend fiscaal voordelig, maar zeker niet oninteressant. Door:
-
rekening te houden met de minimumbezoldigingsvoorwaarde;
-
en bewust te kiezen tussen DBI-vrijstelling of belasting van dividenden,
kan de fiscale impact van de nieuwe regels aanzienlijk worden beperkt. Een zorgvuldige analyse van de concrete situatie van de vennootschap blijft daarbij essentieel.


