Sepot is sepot: Cassatie sluit de achterdeur van de bijzondere aanslagtermijn
Hof van Cassatie verwerpt het cassatieberoep van de fiscus over de aanslagtermijn na een seponering
Wanneer het parket een strafonderzoek zonder gevolg klasseert, kan de fiscus zich niet beroepen op de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358 WIB 92 om oude jaren alsnog te belasten. Dat bevestigt het Hof van Cassatie in een arrest van 21 mei 2026. Ook een aanslag die kort na de seponering wordt gevestigd, ontsnapt daar niet aan. Ontvangt u na een geseponeerd dossier nog een aanslag over jaren waarvoor de gewone termijn al verstreken was, dan is dit een belangrijk verweermiddel.
De bijzondere aanslagtermijn in een notendop
Het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bepaalt in artikel 354 binnen welke termijn de administratie een aanslag mag vestigen. Artikel 358 laat haar toe om ook daarna nog te belasten. Volgens artikel 358, § 1, 3° WIB 92 kan dat wanneer een rechtsvordering uitwijst dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven in een van de vijf jaren vóór het jaar waarin de vordering werd ingesteld.
De aanslag moet dan volgens artikel 358, § 2, 2° WIB 92 worden gevestigd binnen twaalf maanden vanaf de datum waarop tegen de beslissing over die rechtsvordering geen verzet of voorziening meer openstaat.
Het knelpunt is de seponering. Een sepot is geen beslissing van een rechter, zodat de termijn van twaalf maanden nooit begint te lopen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in zijn arrest nr. 144/2022 van 10 november 2022 dat artikel 358 in die lezing strijdig is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet: de belastingplichtige blijft dan voor onbepaalde tijd in het ongewisse over zijn fiscale toestand.
De feiten
In 2012 opende het parket een opsporingsonderzoek naar mogelijke witwaspraktijken, na een melding van de Cel voor Financiële Informatieverwerking. In februari 2017 werd het onderzoek geseponeerd wegens onvoldoende bewijzen. De administratie kreeg inzage in het strafdossier en stuurde berichten van wijziging voor de aanslagjaren 2011 tot 2014, met een beroep op artikel 358 WIB 92.
Het hof van beroep te Brussel oordeelde op 26 maart 2025 dat de bijzondere aanslagtermijn in deze zaak niet kon worden toegepast. De administratie stelde cassatieberoep in.
De beoordeling door het Hof van Cassatie
Een opsporingsonderzoek is een rechtsvordering
Het Hof herhaalt dat het begrip rechtsvordering in artikel 358, § 1, 3° WIB 92 een eigen, autonome draagwijdte heeft. Het openen van een opsporingsonderzoek door het openbaar ministerie volstaat. Op dat punt krijgt de administratie dus gelijk: de bijzondere termijn kan in beginsel spelen, ook zonder dat de zaak ooit voor een rechter komt.
De verjaring van de strafvordering is geen startpunt
De administratie voerde aan dat de termijn van twaalf maanden bij een seponering begint te lopen zodra de strafvordering verjaart. Het Hof verwerpt dat. Onder ‘beslissing over de rechtsvordering’ moet een beslissing van rechtsprekende aard worden verstaan. Het loutere verstrijken van de verjaringstermijn is dat niet.
Een snelle taxatie redt de aanslag niet
De administratie betoogde ook dat er geen rechtsonzekerheid is wanneer zij vóór of binnen een redelijke termijn na de seponering taxeert. Ook dat argument faalt. Zonder startpunt van de termijn kan de administratie in theorie onbeperkt in de tijd aanvullende aanslagen blijven vestigen. De belastingplichtige blijft dus hoe dan ook in het ongewisse, ongeacht hoe snel de eerste aanslag volgde.
Geen ambtshalve terugval op de fraudetermijn
Tot slot verweet de administratie het hof van beroep dat het niet had onderzocht of de aanslag stand hield op grond van de verlengde termijn bij fraude van artikel 354, tweede lid WIB 92. Het Hof van Cassatie stelt vast dat de administratie voor het hof van beroep enkel artikel 358 had ingeroepen, zonder fraude aan te voeren. De rechter was dan ook niet verplicht die grondslag zelf op te werpen.
Wat betekent dit voor de praktijk?
Het arrest sluit een discussie die sinds het arrest van het Grondwettelijk Hof van 2022 openlag: de administratie probeerde de bijzondere termijn na een seponering te redden door een alternatief startpunt of een redelijkheidstoets. Beide wegen zijn nu afgesloten. Concreet:
- Ga na waarop de aanslag steunt. Beroept de administratie zich op artikel 358, § 1, 3° WIB 92 na een opsporingsonderzoek dat werd geseponeerd, dan is de bijzondere termijn in die situatie niet bruikbaar.
- De timing van de aanslag speelt geen rol. Ook een aanslag die kort na het sepot volgt, valt onder deze rechtspraak.
- Toets de gewone termijnen. Het verweer heeft pas echt gewicht wanneer de gewone aanslagtermijnen van artikel 354 WIB 92 verstreken waren op het ogenblik van de aanslag.
- Verwacht een terugval op fraude. Het arrest toont dat de administratie de fraudetermijn tijdig en uitdrukkelijk moet inroepen. In nieuwe dossiers valt te verwachten dat zij dat van bij het begin doet. Dat vergt dan wel een eigen motivering en bewijsvoering rond fraude, los van het geseponeerde strafdossier.
- Let op de toepasselijke versie. Het Hof oordeelde over artikel 358 WIB 92 zoals het op deze aanslagjaren van toepassing was. Voor recentere aanslagjaren moet de dan geldende tekst worden nagegaan.
Ligt er wel een beslissing van een rechter over de strafvordering, dan begint de termijn van twaalf maanden wel te lopen en blijft artikel 358 in beginsel bruikbaar. Het arrest gaat enkel over de situatie van een seponering.
Besluit
Met dit arrest zet het Hof van Cassatie de lijn van het Grondwettelijk Hof consequent door: na een seponering kan de administratie niet terugvallen op de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358 WIB 92, ook niet door snel te taxeren of door de verjaring van de strafvordering als startpunt te nemen. Dat biedt belastingplichtigen rechtszekerheid na een strafonderzoek dat zonder gevolg bleef.
Tegelijk blijft voorzichtigheid geboden. De administratie kan in voorkomend geval andere grondslagen inroepen, zoals de verlengde termijn bij fraude. Of een aanslag na een seponering standhoudt, hangt dus af van de concrete procedure, de ingeroepen termijnen en de manier waarop de administratie haar standpunt heeft opgebouwd.
Het tax-team van Everest volgt de rechtspraak over aanslagtermijnen op de voet en kan de impact van dit arrest op een concrete aanslag beoordelen.
Bron: Cass. 21 mei 2026, F.25.0080.N, ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260521.1N.7, op cassatieberoep tegen Brussel 26 maart 2025, 2020/AF/154; zie ook GwH 10 november 2022, nr. 144/2022.
Deze bijdrage bevat algemene informatie en geen juridisch advies. Voor uw concrete situatie raadpleegt u best een advocaat.


